Lichthinder handel & diensten Normen en reglementering

Wat  | Technieken  | Voorbeelden  | Aanbevelingen, normen en reglementen  | Controle  | Beleid 

Hierbij een systematisch overzicht van geldende en voorziene aanbevelingen, normen en reglementen. De normen kunnen bij de betrokken organisaties aangekocht worden (zie 'linken').

B.3.2. Art. 80.2 van de wegcode

Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende Algemeen Reglement op de Politie van het Wegverkeer Art. 80. Het aanbrengen van verkeerstekens

80.2. Het is verboden op de openbare weg reclameborden, uithangborden of andere inrichtingen aan te brengen die de bestuurders verblinden, die hen in dwaling brengen, die, zij het ook maar gedeeltelijk, verkeersborden voorstellen of nabootsen, die van ver met deze verkeersborden worden verward, of die op enige andere wijze de doelmatigheid van de reglementaire verkeersborden verminderen.

Het is verboden een luminositeit met een rode of groene tint te geven aan alle reclameborden, uithangborden of inrichtingen die zich, binnen een afstand van 75 meter van een verkeerslicht, op minder dan 7 meter boven de grond bevinden.

De VLAREM II-wetgeving omtrent lichthinder

VLAREM II bevat 4 artikelen over de beheersing van hinder door licht voor ingedeelde inrichtingen (art.4.6.0.1 tot art. 4.6.0.4) en 4 gelijkwaardige artikelen voor de niet ingedeelde inrichtingen (art.6.3.0.1 tot art. 6.3.0.4).

Algemeen geldt dat de exploitant de nodige maatregelen moet treffen om lichthinder te voorkomen (art. 4.6.0.1 en 6.3.0.1).

Het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht dient beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid. Niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving dient maximaal beperkt te worden door de conceptie van de verlichting (art. 4.6.0.2 en 6.3.0.2).

De richting van klemtoonverlichting is beperkt tot de inrichting of de onderdelen ervan (art. 4.6.0.3 en 6.3.0.3) en lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen (art.. 4.6.0.4 en 6.3.0.4).

De regelgeving is uitermate beperkt en omwille van zijn weinig kwantitatief en expliciet karakter voor ruime interpretatie vatbaar en bijgevolg moeilijk afdwingbaar. Enkel voor klemtoonverlichting en reclameverlichting biedt de regelgeving aanknopingspunten.

Hieruit volgt:
Op basis van art. 4.6.0.3 en 6.3.0.3 worden zogenaamde sky-tracers (= bewegende of stilstaande krachtige lichtbundels gericht naar de hemel om de aandacht op een inrichting te vestigen) verboden.

B.3.3. Omzendbrief betreffende benzineverkooppunten langs rijkswegen

Ministeriële omzendbrief van 10.03.67 aan de schepencolleges, "betreffende de oprichting van benzineverkooppunten langsheen de rijkswegen" (Belgisch Staatsblad van 08.04.67).

III. - Gemeenschappelijke bepalingen

E. Verlichting van het station

De pompen moeten voorzien zijn van een verlichtingsinrichting die blijft branden tijdens de openingsuren van het station, tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag. De verlichtingsinrichtingen of reclameborden mogen qua vorm en kleur geen gelijkenis vertonen met de in het verkeersreglement bepaalde borden der aanwijzings-, verbods- en gevaartekens. Bovendien moet de luminantie van de verschillende lichtgevende oppervlakken, hetzij deze rechtstreeks licht uitstralen of onrechtstreeks worden verlicht door terugkaatsing of doorlating, in een willekeurige richting waarin een weggebruiker zich kan bevinden, lager zijn dan de waarden die hieronder zijn bepaald volgens het gebied waarin het station is gevestigd.

a) Omschrijving van de gebieden

  1. Gebied I : Centra van de grote steden waar zeer omvangrijke en talrijke lichtreclames voorkomen. Voorbeeld : Brussel - de Brouckèreplein, Antwerpen - Astridplein.
  2. Gebied II : Handelscentra van eerste grootte in de handels- en zakenwijken van de agglomeraties.
  3. Gebied III : Handelscentra van tweede grootte in de agglomeraties of langs wegen met een openbare verlichting die een gemiddelde helderheid op de weg geeft van ten minste 1 cd/m².
  4. Gebied IV : Wijken of wegen zonder verlichting, of met een openbare verlichting die een gemiddelde helderheid op de weg geeft van minder dan 1 cd/m².

NB. Het is de taak van het Bestuur, in elk afzonderlijk geval te bepalen in welk gebied het bedoelde station is gevestigd.

b) Maximale luminantie van de lichtgevende oppervlakken

Gebied Oppervlakte A van het lichtgevend oppervlak(in m²) Maximale luminantie(in cd/m²)
I - geen beperking
II A < of = 0,5 m²
A > 0,5 m2 en A < 10 m²
A > of = 10 m²
3 500 cd/m²
(1)
1 100 cd/m²
III A < of = 0,5 m²
A > 0,5 m2 en A < 10 m²
A > of = 10 m²
1 750 cd/m²
(1)
700 cd/m²
IV A < of = 0,5 m²
A > 0,5 m2 en A < 10 m²
A > of = 10 m²
1 100 cd/m²
(1)
350 cd/m²

(1) De voor de overeenkomstige oppervlakten in aanmerking te nemen maximale luminanties worden bekomen door lineaire interpolatie tussen de op de bovenste regel vermelde waarden en deze vermeld op de laatste regel.

B.3.4. Belgische norm NBN L 18-002 Belgische norm NBN L 18-002 "Aanbeveling voor bijzondere gevallen van openbare verlichting" (1ste uitgave, december 1988). (wordt teruggetrokken omwille van tegenstrijdigheden met de nieuwe Europese norm EN 13201-2 ).

Alhoewel deze norm niet meer geldig is, blijven bepaalde hoofdstukken en opgesomde vereisten zonder rechtstreeks verband met wegverlichting nog steeds nuttig voor regelgeving bv. in het kader van Vlarem.

3.5 Handelscentra

De verlichting van uitstalramen en uithangborden draagt bij tot een sfeervolle verlichting. Doordat de invloed van deze verlichting moeilijk te schatten is, mag er geen rekening mee gehouden worden bij de studie van de openbare verlichting.

Daarentegen dient erop gelet dat de reclameverlichtingen niet storend zijn voor de reglementaire signalisatie en niet verblindend zijn. Daarvoor dienen de volgende waarden in acht genomen:

Handelscentra

Nota’s :
1. de richting waarin de luminantie dient gemeten, is in onderzoek
2. men dient bijzondere aandacht te besteden aan de plaatsing van schijnwerpers voor de verlichting van winkelramen of reclameborden. Ze moeten juist gericht worden en eventueel voorzien van een deflexiesysteem om elk storend verblindend lichteffect te vermijden.

Voor de verlichtingsterkte van parkings kan men zich baseren op de Europese norm EN 12464-2 : Werkplekverlichting - Deel 2: Werkplekken buiten:

CIE 150:2003 'Guide on the limitation of the effects of obstrusive light from outdoor lighting installations' (Technische nota)

Het doel van deze gids is richtlijnen te geven voor buitenverlichtingsinstallaties en de invloed van lichthinder door verblinding. Hiervoor worden relevante parameters en limietwaarden gedefinieerd. De richtlijn is in de eerste plaats bedoeld voor nieuwe installaties maar er werden ook in beperkte mate advies opgenomen voor bestaande installaties. De gids refereert in hoofdzaak naar de mogelijke negatieve invloed van buitenverlichting op de mens in bijna alle aspecten van het dagelijks leven(voor astronomen zie CIE 126-1997).

Hierna volgt een eigen vertaling van deze technische nota. Vooral de indeling in zones volgens tabel 2.1 is nog voor interpretatie vatbaar. In Vlaanderen is het moeilijk door de dichte bebouwing om een grens tussen E2 en E3 te definiëren.

Table 2.1 Indeling in omgevingszones voor buitenverlichting

Omgevingszone Gebied Verlichtingsomgeving Voorbeelden
E1 Natuur Uit zichzelf donker Natuurgebieden
E2 Landelijk Lage kunstmatige omgevingshelderheid Industriële, residentiele en landelijke gebieden
E3 Steden Middelmatige kunstmatige omgevingshelderheid Stedelijke woongebieden met mogelijk industrie
E4 Stadscentra Hoge kunstmatige omgevingshelderheid Stadscentrum met een gemengde residentiële en commerciële functie

Beperken van hemelgloed door opwaartse lichtstroom(ULR) volgens CIE126:

UFF (=ULR=ULORinst) (upward light flux fraction):
Verhouding van de Lichtstroom uitgestraald door het verlichtingstoestel in de bovenste hemisfeer ten opzichte van het horizontaal vlak dat het fotometrisch centrum van het verlichtingstoestel bevat, tot de totale Lichtstroom uitgestraald door het verlichtingstoestel. Het verlichtingstoestel bevindt zich hierbij in zijn normale gebruiksstand.

Omgevingszone ULR(%)
E1 0
E2 0 - 5
E3 0 - 15
E4 0 - 25

 

Limieten voor verlichtingsterkte op omliggende eigendommen volgens CIE150(strooilicht):

Tabel 2.2 Maximale waarden voor verticale verlichtingsterkte op eigendommen

Deze limieten zijn van toepassing op verblijfplaatsen, of mogelijke verblijfplaatsen, meer specifiek op de relevante oppervlaktes, vooral waar ramen aanwezig zijn. De waarde is de som van alle verlichtingsinstallaties.

Lichttechnische parameter Toepassingsvoorwaarden Omgevingszone
E1 E2 E3 E4
Verlichtingsterkte in het vertikaal vlak (Ey) Voor de avondklok(0-5h): 2 lux 5 lux 10 lux 25 lux
Na de avondklok(0-5h): 0* lux 1 lux 2 lux 5 lux

*NOTA: Indien het verlichtingstoestel dient voor openbare verlichting mag deze waarde tot 1 lux bedragen.

 

Limieten voor zeer heldere verlichtingstoestellen opgesteld in het gezichtsveld van bewoners volgens CIE150:

Tabel 2.3 Deze limieten zijn van toepassing voor alle verlichtingstoestellen in richtingen waarbij het zicht van heldere oppervlaktes van verlichtingstoestellen hinderlijk zou kunnen zijn voor bewoners. De limieten zijn enkel voor de gezichtposities die (waarschijnlijk) langdurig aangenomen worden, dus niet voor tijdelijke gezichtsposities of gezichtsposities van korte duur.

Lichttechnische parameter Toepassingsvoorwaarden Omgevingszone
E1 E2 E3 E4
Lichtsterkte van verlichtingstoestellen (I) Voor de avondklok(0-5h): 2 500 cd 7 500 cd 10 000 cd 25 000 cd
Na de avondklok(0-5h): 0 cd* 500 cd 1 000 cd 2 500 cd

*NOTA: Indien het verlichtingstoestel dient voor openbare verlichting mag deze waarde tot 500 cd bedragen.



Beperkingen voor het verblinden van bestuurders van voertuigen volgens CIE150:

Tabel 2.4 Maximale waardes voor de verhoging van de luminantie-waarnemingsdrempel(TI) van bestuurders door verlichtingsinstallaties niet bedoeld voor straatverlichting

Lichttechnische Parameter Wegindeling 1)
Geen weg M5 M4/M3 M2/M1
% Verhoging van de luminantie-waarnemingsdrempel 2) TI
TI = ?(650xVerlichtingsterkteoog(lux))/(Ltabel(cd/m²)
X hoekweg-verlichtingstoestel(°)) 2) TI
15% gebaseerd op een aangenomen luminantie van
0,1 cd/m2(Ltabel)
15% gebaseerd op een aangenomen luminantie van
1 cd/m2(Ltabel)
15% gebaseerd op een aangenomen luminantie van
2 cd/m2(Ltabel)
15% gebaseerd op een aangenomen luminantie van
5 cd/m2(Ltabel)

1) Indeling van de wegen volgens CIE 115-1995.
2) De limieten zijn van toepassing waar bestuurders van voertuigen gevolgen zouden ondervinden van een verminderde waarneming van essentiële informatie.
De gegeven waardes zijn enkel voor relevante gezichtsposities volgens het voertuigtraject.

 

Beperken van de nadelige effecten van oververlichte gevels, signalisatie en reclameborden volgens CIE150:

Tabel 2.6 Maximum toegelaten waarde voor gemiddelde luminantie

Lichttechnische parameter Toepassingsvoorwaarden Omgevingszone
E1 E2 E3 E4
Luminantie van gevels (Lb) Genomen als het product van de gemiddelde ontwerpverlichtingsterkte en de reflectiecoëfficiënt gedeeld door ? 0 cd/m2 5 cd/m2 10 cd/m2 25 cd/m2
Luminantie van signalisatie en reclameborden (Ls) Genomen als het product van de gemiddelde ontwerpverlichtingsterkte en de reflectiecoëfficiënt gedeeld door ?, of voor signalisatie met ingebouwde verlichting de gemiddelde luminantie. 50 cd/m2 400 cd/m2 800 cd/m2 1000 cd/m2

Deze waardes zijn geldig voor en na de avondklok behalve dat in zone E1 alle waardes 0 zijn na de avondklok.
De waardes zijn niet van toepassing op wegsignalisatie (zie hiervoor CIE 74-1998)
In zones E1 en E2 wordt het gebruik van modulerende of flitsende verlichting afgeraden. In ieder geval mag deze niet opgesteld worden in de buurt van ramen van bewoonde gebouwen.

VEREISTEN EN AANBEVELINGEN VOOR VERLICHTINGSTOESTELLEN:

Hierin:kwaliteitseisen opleggen aan verlichtingstoestellen.

Alle verlichtingstoestellen moeten voldoen aan de vereiste voor het dragen van een CE label. Deze vereisten hebben vooral betrekking op het veilig en correct gebruik van deze toestellen met als doel elektrisch veilige, storingsvrije en brandveilige elektrische apparaten te leveren. Meer info: http://eur-lex.europa.eu/nl/index.htm

In het bijzonder:

Richtlijn 89/336/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit.
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:31989L0336:NL:HTML

Deze heeft ondermeer tot doel om elektrische storingen van toestellen te beperken.

Richtlijn 73/23/EEG van de Raad van 19 februari 1973 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der Lid-Staten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen.
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:31973L0023:nl:NOT

Deze heeft tot doel om de elektrische veiligheid van elektrische toestellen te bevorderen (beter gekend onder de benaming ‘Laagspanningsrichtlijn).

RICHTLIJN 2002/96/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 27 januari 2003 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA).
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2003:037:0024:0038:nl:PDF

RICHTLIJN 2003/108/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 8 december 2003 tot wijziging van Richtlijn 2002/96/EG betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA).
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2003:345:0106:0107:NL:PDF

De richtlijn 2002/96/EG en de gewijzigde richtlijn 2003/108/EG zijn gericht op het beperken van elektrisch en elektrotechnisch afval. Producenten, die hun producten na 13 augustus 2005 op de markt brengen, moeten garanderen dat hun collectie, behandeling en hergebruik voldoen aan de lijst Annex IA toepassingen.
In België wordt deze verplichting voor verlichtingsmateriaal (inclusief ontladingslampen) opgenomen door de firma Recupel. http//www.recupel.be

RICHTLIJN 2002/95/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 27 januari 2003 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur.
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2003:037:0019:0023:NL:PDF

De richtlijn verbiedt het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektronische en elektrotechnische toestellen die op de markt worden gebracht vanaf 1 juli 2006 (er zijn veel uitzonderingen). De verboden stoffen zijn ondermeer: lood, kwik, cadmium. Elektronische printplaten dienen loodvrije soldeer te gebruiken maar fluorescentielampen(bevatten kwik) vallen onder de toegelaten uitzonderingen omdat ze gerecycleerd worden.

Richtlijn 2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 inzake de energierendementseisen voor voorschakelapparaten voor fluorescentielampen.
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2000:279:0033:0038:NL:PDF

Deze richtlijn legt rendementseisen voor fluorescentielampballasten vast die gradueel toenemen in de tijd. De toestellen worden voorzien van labels(vergelijkbaar met huishoudtoestellen). Op losse ballasten met een EEI index en op spaarlampen met de gekende kleurcode zoals op huishoudtoestellen (A1(groen)(best), A2, A3, B1, B2, C en D(rood)(slecht)).

RICHTLIJN 2005/32/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 6 juli 2005 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten en tot wijziging van Richtlijn 92/42/EEG van de Raad en de Richtlijnen 96/57/EG en 2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2005:191:0029:0058:nl:PDF

Deze richtlijn is ook van toepassing zijn op verlichtingstoestellen en slaat op het toepassen van ecologische ontwerpprincipes zoals een levenscyclusanalyse.
Als gevolg van deze richtlijn zijn er ondertussen twee verordeningen uitgevaardigd door de Europese Commissie met minimale eisen:

VERORDENING (EG) Nr. 245/2009 VAN DE COMMISSIE van 18 maart 2009 tot uitvoering van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende eisen inzake ecologisch ontwerp voor fluorescentielampen zonder ingebouwd voorschakelapparaat, voor hogedrukgasontladingslampen en voor voorschakelapparaten en armaturen die deze lampen kunnen laten branden, en tot intrekking van Richtlijn 2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2009:076:0017:0044:NL:PDF

 

VERORDENING (EG) Nr. 244/2009 VAN DE COMMISSIE van 18 maart 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor niet-gerichte lampen voor huishoudelijk gebruik http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2009:076:0003:0016:NL:PDF

Er zijn ook normen en standaarden voor verlichtingscomponenten opgesteld door IEC- CEI . Deze normen garanderen de elektrische veiligheid en de compatibiliteit van verlichtingsonderdelen van verschillende fabrikanten. Meer info: http://www.iec.ch

IEC : INTERNATIONAL ELECTROTECHNICAL COMMISSION
CENELEC (CEN): Comité Européen de Normalisation Electrotechnique (http://www.cenelec.org)
CIE: COMMISSION INTERNATIONAL de l’ECLAIRAGE (INTERNATIONAL COMMISSION on ILLUMINATION)